VREEMDELINGENRECHT.COM

De Asielprocedure in Nederland

Inhoudsopgave van deze website


Hier vindt u meer informatie over:

Een visum
Een verblijfsvergunning
De asielprocedure
Kennismigranten
Generaal pardon
Terugkeer
Rechtshulp /advocaten
Beroep bij de rechter
Cursussen



maar ook:

Nieuws
Nuttige links
Contact/mail
STEL HIER UW VRAAG!


Klik op de link en u komt op de pagina met de informatie




Handige links naar andere websites

Website IND
Vluchtelingenwerk
Zoek advocaat
Gefinancierde rechtshulp
Orde van Advocaten


Informatie


telefoonnummer Vluchtelingenwerk: (020) 346 72 00


Infonummer van de IND: 0900-1234561

Tekst Vreemdelingenwet


Gedragscode IND


Zoek hier uw advocaat op www.advocatenvreemdelingenrecht.nl




Maak hier een vluchtverhaalanalyse!!!!

Kritiek ombudsman op asielprocedure (sept. 2007)

De Nationale ombudsman zegt dat de asielprocedures niet altijd eerlijk verlopen. Volgens Brenninkmeijer is de achtergrondinformatie van Buitenlandse Zaken aan het IND over asielzoekers in sommige gevallen onvolledig en onjuist. De Immigratie- en Naturalisatiedienst is soms ook vooringenomen en partijdig. De stukken zouden bijvoorbeeld te laat bij de asielzoekers zelf komen. Als ze die krijgen, zijn delen soms onleesbaar. IND-medewerkers krijgen soms zelf ook niet alle nodige informatie en daardoor kunnen fouten worden gemaakt. De IND en het ministerie herkennen zich niet in de kritiek.






Wat staat er nu op de blog? / What's new on the blog at the moment?












mail vreemdelingenrecht.com .
























ZIE OOK:
www.advocaten
vreemdelingenrecht.nl




Adverteren bij Daisycon






Adverteren bij Daisycon






Adverteren bij Daisycon







Blog







Wat staat er nu op de blog? / What's new on the blog at the moment?

Juridische toets in asielzaken

Sinds de nieuwe vreemdelingenwet in 2001 in werking is getreden is er veel veranderd. Waar moet u tegenwoordig het meest rekening mee houden:

  • De vreemdeling moet zijn relaas aannemelijk maken, niet de IND juist aantonen dat het wel veilig is voor de asielzoeker in het land van herkomst;
  • Bewijs moet zo snel mogelijk aan de IND worden gegeven: hoe langer u wacht hoe minder het waard wordt;
  • De IND kan oordelen dat een relaas ongeloofwaardig is. Wanneer u geen documenten hent om uw nationaliteit, identiteit en reisroute aan te tonen mag de IND sneller oordelen dat uw relaas ongeloofwaardig is.
  • Als de IND middels ambtsberichten uw relaas onderuit wil halen, zal u moeten aantonen dat die ambtsberichten onjuist of onvolledig zijn. Alleen maar roepen dat ze onzin zijn helpt niet
  • Een rechter zal zeker met aandacht naar uw betoog luisteren maar mag alleen een oordeel geven over de punten die in geschil zijn. Waar uw advocaat niets over heeft gezegd dus niet hoe jammer misschien ook.
  • Wacht niet met goede argumenten tot de zitting maar stuur die minstens 10 dagen daarvoor naar de rechtbank en de IND.
  • Bij een asielaanvraag moet u de eerste keer alles op alles zetten want een tweede procedure heeft alleen zin als er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden sinds de vorige.

Op http://www.rechtspraak.nl kunt u de relevante uitspraken op het gebied van het vreemdelingenrecht vinden. Type zoekwoorden in en lees de veschillende uitspraken. Hieronder vindt u enkele voorbeelden die zeker niet uitputtend zijn.

Inhoudelijk

Geloofwaardigheid relaas/ toetsingskader rechter

LJN: BA2729, Raad van State, 200608387/1
Datum uitspraak: 30-03-2007
Datum publicatie: 12-04-2007
Geloofwaardigheid asielrelaas / intensiteit rechterlijke toetsing / ten onrechte eigen oordeel Gezien het overwogene onder 2.1.5 heeft de rechtbank door vervolgens - onder meer aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake de situatie in Sierra Leone van november 1999 en de verklaringen ter zitting over de boot waarmee de vreemdeling naar het schip is gevaren - te overwegen dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig is, niet getoetst of de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas zodanige hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden bevat dat er geen positieve overtuigingskracht van uitgaat, maar zelfstandig onderdelen van het relaas beoordeeld en vastgesteld dat het relaas strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Aldus heeft de rechtbank het hiervoor weergegeven toetsingskader niet onderkend en zich ten onrechte niet beperkt tot de beoordeling van de vraag of de minister in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas is kunnen komen, maar een eigen oordeel voor dat van de tot dat oordeel bevoegde en voor dat oordeel verantwoordelijke minister in de plaats gesteld.

LJN: AZ3647, Raad van State, 200604466/1
Datum uitspraak: 22-11-2006
Datum publicatie: 11-12-2006
Geloofwaardigheid asielrelaas / intensiteit rechterlijke toetsing. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak 200206297/1 van 27 januari 2003, komt de minister bij de toepassing van het beleid om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te bepalen in een concreet geval beoordelingsruimte toe. De minister beoordeelt de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en van vergelijking van het relaas met al datgene wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie. Dit overzicht stelt hem in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en aldus geobjectiveerd te verrichten. Het op deze wijze beoordelen van de geloofwaardigheid van het asielrelaas door de minister brengt met zich dat de rechter die beoordeling terughoudend zal dienen te toetsen. Dit geldt evenzeer voor de beoordeling door de minister van het realiteitsgehalte van de niet gestaafde vermoedens. Ook indien de minister van oordeel is dat het asielrelaas op onderdelen aannemelijk gemaakt dan wel geloofwaardig is, zal de rechter het oordeel van de minister over de geloofwaardigheid van de andere onderdelen van dat relaas en de conclusies die de minister daaraan verbindt voor de geloofwaardigheid van de op dat relaas gebaseerde vrees voor vervolging terughoudend dienen te toetsen. De terughoudende toetsing laat onverlet dat de rechter de besluitvorming die tot het oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas of onderdelen daarvan heeft geleid, aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, moet toetsen, maar staat er aan in de weg dat de rechter bij die toetsing het eigen oordeel inzake de geloofwaardigheid in plaats stelt van dat van de minister. Voor zover de minister van oordeel is dat de door de asielzoeker gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt of geloofwaardig zijn en de daaraan ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer te wachten staat plausibel, is vervolgens voor een terughoudende toets geen plaats, waar het de beoordeling van de zwaarwegendheid van het relaas betreft. Door de elementen van de asielrelazen los van elkaar en zelfstandig te beoordelen en te waarderen heeft de rechtbank miskend dat van de asielrelazen als geheel een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan en, voorbijgaand aan het hiervoor weergegeven toetsingskader, ten onrechte een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van de niet met bewijsmateriaal gestaafde asielrelazen voor dat van de tot dat oordeel bevoegde en voor dat oordeel verantwoordelijke minister in de plaats gesteld. Gelet op het in beroep aangevoerde bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de asielrelazen positieve overtuigingskracht ontberen en daarom ongeloofwaardig zijn. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde traumatische gebeurtenissen evenmin aannemelijk worden geacht.

Identiteitspapieren en geloofwaardigheid relaas

LJN: AE4846, Raad van State, 200201656/1
Datum uitspraak: 16-05-2002
Datum publicatie: 03-07-2002
2.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het was derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken. Ingevolge dat artikel, tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. 2.2.1. In het besluit heeft de staatssecretaris gemotiveerd uiteengezet, waarom het niet overleggen van documenten waarmee de identiteit, nationaliteit en reisroute kunnen worden vastgesteld dan wel andere bescheiden, die voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk zijn, aan de vreemdeling kan worden toegerekend. Voorts heeft hij, voor zover thans van belang, uiteengezet dat de vreemdeling onaannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn reis naar Nederland. 2.2.2. Er is geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris het ontbreken van die documenten en bescheiden niet aan de vreemdeling heeft mogen toerekenen. De staatssecretaris heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat de vreemdeling in verband hiermee aan de in beginsel aanwezige bereidheid om het asielrelaas, voor zover consistent en niet onaannemelijk, voor waar te houden, voor zover daarvan redelijkerwijs geen onderbouwing kan worden gevergd, afbreuk heeft gedaan. 2.3. De staatssecretaris heeft in het besluit voorts gemotiveerd uiteengezet, dat en waarom de door de vreemdeling aangedragen motieven om zijn land te verlaten ook op zichzelf beschouwd volstrekt onvoldoende zijn om te concluderen dat een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel bestaat. In zoverre is het besluit bij de voorzieningenrechter niet bestreden. 2.4. Tijdens het nader gehoor heeft de vreemdeling verklaard voor de LTTE werkzaamheden te hebben verricht als koken, het tillen van materialen en het graven van loopgraven. Verder heeft hij herhaaldelijk verklaard dat hij heeft geweigerd te vechten voor de LTTE. In de notitie van 2 maart 2002 heeft de vreemdeling echter gesteld dat hij na het doorlopen van een militaire training voor de LTTE heeft gevochten.

Ambstberichten (= deskundige bericht, bestrijden onvolledigheid c.q. onjuistheid)

LJN: BA1217, Raad van State, 200607845/1
Datum uitspraak: 13-03-2007
Datum publicatie: 29-03-2007
De omstandigheid dat de identiteit en de hoedanigheid van de vertrouwenspersoon niet ten volle blijken uit de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, leidt niet tot het oordeel dat het ambtsbericht niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het ambtsbericht niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen . Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 14 mei 2004 in zaak no. 200400291/1, JV 2004/271 en 16 oktober 2006 in zaak no. 200603287/1, ter voorlichting van partijen aangehecht) kan de omstandigheid dat de identiteit en de hoedanigheid van de vertrouwenspersoon niet ten volle blijken uit de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, niet tot dat oordeel leiden. De rechtbank heeft ook onvoldoende aangegeven waarom de minister er in dit geval niet van mocht uitgaan dat de Minister van Buitenlandse Zaken de vertrouwenspersoon zorgvuldig heeft geselecteerd en aanleiding had moeten zien om nadere informatie over die persoon te vragen. Hetgeen de vreemdelingen in beroep en hun zienswijze hebben aangevoerd biedt daartoe geen grond. De grief slaagt.

LJN: AE0847, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 00/68291 OVERIO GR
Datum uitspraak: 05-03-2002
Datum publicatie: 29-03-2002
Somalië / Midgan / ambtsbericht. Verweerder mag in zijn algemeenheid afgaan op de juistheid van een ambtsbericht, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de gegevens uit het individuele ambtsbericht van december 2000 concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van februari 2000 met betrekking tot de leden van de Midgan waarop dit individuele ambtsbericht doelt. Bij verweerschrift is gesteld dat eerdergenoemde problemen en het eerdergenoemde 'pas-op-de-plaatsbeleid' alleen golden voor diegenen die afkomstig zijn uit Mogadishu of de provincies Bay en Bakool en dus niet voor eiseres die weliswaar uit het zuiden afkomstig is maar niet uit genoemde gebieden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd waarom de in eerdergenoemd individueel ambtsbericht genoemde veiligheidsproblemen zich niet zouden voordoen ten aanzien van andere leden van de Midgan bevolkingsgroep afkomstig uit het zuiden van Somalië. De rechtbank is voorts van oordeel dat de algemene conclusie in het ambtsbericht van juni 2001 dat de veiligheid van de minderheden in Somalië niet in gevaar is, niet als basis kan dienen voor verweerders oordeel dat ook de veiligheid van de specifieke leden van de groep waar het hier om gaat niet in gevaar is. Gelet op de concrete aanknopingspunten die het individuele ambtsbericht van december 2000 geeft voor twijfel aan dit oordeel, zijn meer expliciete gegevens juist met betrekking tot deze groep nodig om tot een dergelijk oordeel te kunnen komen. Voorts heeft verweerder zich onvoldoende rekenschap gegeven van de positie van eiseres als alleenstaande vrouw, behorend tot een minderheidsgroepering. Op geen enkele wijze wordt in het ambtsbericht gemotiveerd waarom deze problemen zich alleen zouden voordoen bij de daar genoemde alleenstaande vrouwen van de Reer Hamar en de Reer Brava, terwijl de in het ambtsbericht genoemde oorzaken van de problemen, het ontbreken van een clanstructuur en het hebben van een lagere status, evenzeer geldt voor leden van de Midgan als voor de Reer Hamar en de Reer Brava. Het ambtsbericht voldoet daarmee op dit punt niet aan één van de elementaire eisen die aan een deskundigenbericht kunnen worden gesteld, namelijk dat conclusies op heldere en inzichtelijke wijze moeten worden onderbouwd. Het had onder deze omstandigheden op de weg van verweerder gelegen om op dit punt nadere uitleg te vragen aan het Ministerie van Buitenlandse zaken en niet zonder meer een niet inzichtelijk onderbouwde conclusie over te nemen.

Adverteren bij Daisycon

Taalanalyse

LJN: BA3412, Raad van State, 200609086/1
Datum uitspraak: 11-04-2007
Datum publicatie: 20-04-2007
Taalanalyse / kritische kanttekeningen Door in de bestreden rechtsoverweging te overwegen dat uit het ambtsbericht blijkt dat in Kirkuk eenzelfde Koerdische taal als in Sulaymaniya wordt gesproken en daarom niet valt in te zien in hoeverre de taalanalist met betrekking tot de Koerdische spraak van de vreemdeling een duidelijk onderscheid tussen Kirkuk en Sulaymaniya kan maken, heeft de rechtbank niet onderkend dat een taalanalist niet volstaat met talen op zichzelf van elkaar te onderscheiden, maar zoals in voormelde uitspraak van 18 maart 2005 eerder is overwogen aan de hand van een analyse van de grammatica, woordkeuze en uitspraak van de desbetreffende vreemdeling beoordeelt waar hij taalkundig in een land is te plaatsen. In dit geval blijkt uit het rapport dat de taalanalist de vreemdeling niet louter op grond van de door haar gebezigde taal, maar op grond van haar lokale kennis van Kirkuk en haar Koerdische spraak eenduidig niet in Kirkuk en eenduidig wel in Sulaymaniya plaatst; deze conclusie is bovendien gebaseerd op de constatering van de taalanalist dat de vreemdeling geen basiskennis van het Turkmeens heeft. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het ambtsbericht niet met het rapport in tegenspraak is. Zij heeft dus ten onrechte overwogen dat de minister, omdat de vreemdeling door te verwijzen naar het ambtsbericht bij het rapport meer dan kritische kanttekeningen heeft geplaatst, daar niet langer van mocht uitgaan.

LJN: BA2713, Raad van State, 200607305/1
Datum uitspraak: 29-03-2007
Datum publicatie: 12-04-2007
Vergewisplicht / werkkader taalanalisten / KIN 2 Gelet op de in het Werkkader voorziene selectieprocedure, zoals nader toegelicht ter zitting, de wijze van begeleiding door wetenschappelijk opgeleide linguïsten en de kwaliteitscontroles op de taalanalyses door middel van cross checks, die als zodanig door de vreemdeling niet zijn bestreden, moet worden geoordeeld dat de deskundigheid van taalanalisten werkzaam bij het BLT – en dus ook die van taalanalist met code KIN 2 - voldoende is gewaarborgd. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich onvoldoende heeft vergewist van de deskundigheid van de taalanalist met code KIN 2. (…). Nu de gegevens omtrent de identiteit van de opsteller van de contra expertise ontbreken, kunnen zijn onafhankelijkheid en de deskundigheid niet worden vastgesteld. Dat het rapport van de contra expertise is ondertekend, van initialen is voorzien en de gemachtigde van de vreemdeling ter zitting bij de rechtbank heeft aangegeven op de hoogte te zijn van de naam en de woonplaats van deze persoon, is daarvoor onvoldoende. Daarmee is immers geen inzicht gegeven in de deskundigheid van de opsteller van de contra expertise. Voorts is gesteld noch gebleken dat de opsteller is verbonden aan een instelling, waarvan de kwaliteit voldoende en op een zelfde wijze is gewaarborgd als bij het BLT. Onder de hiervoor vermelde omstandigheden kan het door de vreemdeling overgelegde rapport niet afdoen aan de door het BLT verrichte taalanalyse en heeft de rechtbank daarin ten onrechte concrete aanknopingspunten aanwezig geacht voor twijfel aan de inhoud en volledigheid van die door het BLT verrichte analyse. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte dit rapport aangemerkt als contra expertise die kan dienen als tegenbewijs.

Traumatabeleid en toetsingskader rechtbank

LJN: BC9161, Raad van State , 200708887/1
Datum uitspraak: 02-04-2008
Datum publicatie: 10-04-2008
2.1. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, gegeven de systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), de onderhavige procedure voor de vreemdeling, aan wie op 3 december 2002 op de voet van artikel 29, aanhef en onder d, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, de eerste gelegenheid vormt om zijn traumatische ervaringen naar voren te brengen en aan te geven dat hij Sierra Leone op grond daarvan destijds eerder had willen verlaten. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat de vreemdeling destijds tijdens het nader gehoor, dat heeft plaatsgevonden naar aanleiding van zijn asielaanvraag, in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotieven uiteen te zetten en de omtrent zijn verklaringen gestelde nadere vragen te beantwoorden.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2001 in zaak nr. 200105129/1, JV 2002/13), dient, gezien de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, bij de behandeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, eerst te worden beoordeeld of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt Verdragsvluchteling te zijn, dan wel gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 omschreven risico loopt. Indien het een noch het ander het geval is, moet vervolgens worden beoordeeld of het asielrelaas grond geeft tot verlening van een verblijfsvergunning op de voet van achtereenvolgens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000.

Adverteren bij Daisycon

2.1.2. In het toepasselijke beleid, ten tijde hier van belang vervat in onderdeel C3/13.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), is vermeld dat het nader gehoor zich met name richt op de beweegredenen van het vertrek uit het land van herkomst. Tijdens het nader gehoor wordt de asielzoeker gevraagd de informatie te verstrekken die nodig is voor het beoordelen van de asielaanvraag. De ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst geeft de asielzoeker, in eerste instantie, de gelegenheid vrijuit over zijn asielmotieven te spreken. De asielzoeker wordt hierbij zo beperkt mogelijk onderbroken voor het stellen van vragen. Vervolgens onderzoekt de ambtenaar de verschillende aspecten van het asielrelaas.

2.1.3. Aldus biedt het nader gehoor een vreemdeling bij uitstek de gelegenheid om zijn asielmotieven naar voren te brengen.

2.1.4. Volgens het verslag van het nader gehoor, dat op 12 maart 2002 heeft plaatsgevonden, heeft de vreemdeling aan het slot van dat gehoor bevestigd dat hij alles heeft verteld wat voor de beoordeling van zijn asielaanvraag van belang kan zijn. Ook overigens biedt dat verslag geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vreemdeling bij dat gehoor onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om alle aspecten van zijn asielrelaas aan de orde te stellen. Door te overwegen dat de huidige procedure, waarin de vreemdeling op 19 maart 2007 aanvullend is gehoord, voor hem de eerste gelegenheid vormde om zijn ervaringen naar voren te brengen en aan te geven dat hij wel eerder Sierra Leone had willen verlaten, maar daartoe niet de mogelijkheid had, heeft de rechtbank zulks niet onderkend. De grief slaagt.

2.2. In de eerste en de derde grief, in onderling verband en samenhang bezien, klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, gezien de beoordelingsvrijheid van de staatssecretaris, ten onrechte zonder de vereiste terughoudendheid heeft beoordeeld of hij zich op basis van de door hem gebezigde motivering op het standpunt heeft mogen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een verband bestaat tussen de traumatische gebeurtenis de dood van zijn vader in januari 1999 en zijn vertrek uit het land van herkomst in november 2001.

2.2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, komt een vreemdeling in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien van hem naar het oordeel van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister, thans: de staatssecretaris) op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2005 in zaak nr. 200501915/1, JV 2005/427), wordt de beoordelingsvrijheid die deze bepaling de minister (thans: de staatssecretaris) laat, aangewend overeenkomstig de uitgangspunten, vermeld in het toepasselijke beleid, zoals uiteengezet in de Vc 2000. In thans onderdeel C2/4.2.2 van de Vc 2000, is voor zover hier van belang het volgende vermeld: “De betrokken asielzoeker zal de aangevoerde gebeurtenissen, die tot een veronderstelde traumatische ervaring leiden, aannemelijk moeten maken. Tevens zal aannemelijk moeten zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst. Voor de aannemelijkheid van dit causale verband biedt de termijn waarbinnen de betrokkene het land heeft verlaten een belangrijk aanknopingspunt. In beginsel geldt hiervoor het uitgangspunt dat de betrokken asielzoeker binnen zes maanden na deze gebeurtenissen het land van herkomst dient te hebben verlaten. Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken asielzoeker zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De termijn van zes maanden vormt hiermee een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenis en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat hij het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenissen een ernstiger karakter hebben en het asielrelaas van de betrokkene aannemelijker is, een zwaardere onderzoeksplicht rust op de behandelend ambtenaar met betrekking tot de vraag of er feiten en omstandigheden waren waardoor de betrokkene het land van herkomst niet binnen zes maanden na het plaatsvinden van de gestelde gebeurtenis kon verlaten.”

2.2.2. In hoger beroep is onbestreden dat de vreemdeling het land van herkomst niet binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis heeft verlaten. Derhalve diende de vreemdeling volgens het gevoerde beleid, om niettemin in verband daarmee voor toelating in aanmerking te kunnen komen, het gestelde verband tussen de gebeurtenis en zijn vertrek uit het land van herkomst aannemelijk te maken. Het oordeel over de vraag of hij daarin is geslaagd is aan de staatssecretaris. De rechtbank heeft niet onaannemelijk geacht dat de vreemdeling geen mogelijkheid zag en die ook niet hoefde te zien, gelet op de door hem in deze procedure daartoe gestelde omstandigheden en zijn jonge leeftijd om eerder het land van herkomst te verlaten dan hij heeft gedaan. Door te overwegen dat de staatssecretaris zich hiervan onvoldoende rekenschap heeft gegeven, zodat hij niet zonder meer heeft mogen concluderen dat het causaal verband tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek niet aannemelijk is gemaakt, heeft de rechtbank zich ten onrechte niet beperkt tot een toetsing van het desbetreffende standpunt van de staatssecretaris en ten onrechte haar oordeel over dat causaal verband in de plaats gesteld van het oordeel van de daartoe bevoegde staatssecretaris. De grieven slagen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 2 mei 2007 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3.1. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat uit de verklaringen van de vreemdeling niet valt af te leiden dat zijn vertrek uit het land van herkomst met de traumatiserende gebeurtenis verband houdt en de vreemdeling geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, die tot het oordeel leiden dat hij dat land niet eerder heeft kunnen verlaten. Daartoe heeft de staatssecretaris samengevat weergegeven het volgende overwogen. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na de dood van zijn vader weliswaar de intentie had om zijn land te verlaten, maar de situatie dat niet toeliet. De aangevoerde argumenten dat hij niet in de positie was om zijn land van herkomst te verlaten en hij daartoe niet de mogelijkheid noch de middelen had, treffen geen doel, nu deze overigens zeer vage argumenten eerst ruim vijf jaar na de oorspronkelijke asielaanvraag zijn aangedragen. De aangevoerde omstandigheid dat de vreemdeling in 1999 nog een kind was en daardoor niet de mogelijkheid had, maakt dat niet anders, nu niet is gebleken dat de vreemdeling de intentie heeft gehad zijn land te verlaten, alvorens hij in 2001 in contact kwam met een oude bekende van zijn vader, die dat heeft geregeld.

2.3.2. De vreemdeling heeft daartegen aangevoerd dat, gezien zijn leeftijd destijds, hem niet kan worden tegengeworpen dat er geen causaal verband bestaat tussen de traumatische gebeurtenis en zijn vertrek uit Sierra Leone. Tevens heeft hij betoogd dat de staatssecretaris aanleiding had moeten zien om gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Daartoe heeft de vreemdeling gewezen op zijn vergaande integratie hier te lande.

2.3.3. Gegegeven de beoordelingsvrijheid die de staatssecretaris toekomt en gezien de door hem gebezigde en hiervoor onder 2.3.1 weergegeven motivering, geeft hetgeen de vreemdeling aldus heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een vreemdeling van wie op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij naar dat land terugkeert. Ook in hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd betreffende zijn integratie hier te lande heeft de staatssecretaris terecht geen aanleiding gezien om van zijn beleid af te wijken, nu deze omstandigheden in relatie tot dat beleid niet zijn aan te merken als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedureel

Nova / artikel 4:6 Awb

LJN: BA8912, Raad van State, 200701660/1
Datum uitspraak: 19-06-2007
Datum publicatie: 11-07-2007
Ne bis miskend / toch geen vernietiging [..] Hieruit vloeit voort dat de rechtbank, door te overwegen dat in het besluit sprake is van een motiveringsgebrek, heeft miskend dat zij, ter bepaling van de omvang van de door haar te verrichten toetsing in geval van, zoals hier, een herhaalde aanvraag, allereerst ambtshalve moet treden in de vraag of, voor zover thans van belang, aan die aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

LJN: AF6071, Raad van State, 200202310/1 Datum uitspraak: 31-07-2002
Datum publicatie: 20-03-2003
Rechtsgebied: Vreemdelingen 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Adverteren bij Daisycon

10-dagentermijn voor zitting

LJN: BA7785, Raad van State , 200700521/1
Datum uitspraak: 08-06-2007
Datum publicatie: 21-06-2007
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 27 augustus 2004 in zaak no. 200404253/1, JV 2004/407), verbiedt geen rechtsregel dat, binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, na afloop van de voor het indienen van beroepsgronden gestelde termijn alsnog aanvullende gronden worden ingediend. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 november 2005 in zaak no. 200505151/1, ter voorlichting van partijen aangehecht) komt de rechtbank, bij de beoordeling of de goede procesorde in de weg staat aan het betrekken van de in een zeer laat stadium aangevoerde beroepsgronden, enige beoordelingsruimte toe.
2.3.3. Uit een brief van 19 februari 2004, die als bijlage is gevoegd bij het aanvullend beroepschrift van 9 november 2006, blijkt dat appellante sub 2 sinds haar kinderjaren lijdt aan epilepsie en zij als gevolg van de gestelde gebeurtenissen in het land van herkomst lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (ptss). Gelet hierop valt niet in te zien waarom hetgeen in het aanvullend beroepschrift van 9 november 2006 is gesteld met betrekking tot de medische gesteldheid van appellante sub 2 eerst is aangevoerd meer dan twee jaar na het indienen van het aanvullend beroepschrift van 13 oktober 2004 en elf dagen v??r de behandeling van de zaak ter zitting bij de rechtbank. De omstandigheid dat appellanten naar gesteld eerst bij brief van 2 november 2006 in het bezit zijn gekomen van voormelde brief van 19 februari 2004 kan niet tot een ander oordeel leiden, nu appellanten redelijkerwijs op de hoogte moeten zijn geweest van de medische gesteldheid van appellante sub 2. De stelling van appellanten ter zitting dat zij niet eerder in staat zijn geweest gewag te maken van de medische gesteldheid van appellante sub 2, is eerst in hoger beroep ? en daarmee tardief ? aangevoerd, en doet bovendien aan het voorgaande niet af. De rechtbank heeft de beroepsgronden die betrekking hebben op de gezondheidstoestand van appellante sub 2 aldus wegens strijd met de goede procesorde buiten haar beoordeling mogen laten. Dat deze gronden zijn ingediend met inachtneming van de in artikel 8:58 van de Awb gestelde termijn, maakt dit niet anders. De rechtbank is terecht niet toegekomen aan de beoordeling of de medische gesteldheid van appellante sub 2 nieuwe feiten en omstandigheden behelzen, als bedoeld in artikel 83 van de Vw 2000.
2.3.4. Voor zover appellanten betogen dat artikel 3 van het EVRM er toe noopt dat de nationale procedureregels in dit geval niet aan appellanten worden tegengeworpen, wordt overwogen dat slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden noodzaak kan bestaan om in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen (arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45). De grieven bieden geen grond voor het oordeel dat van dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden sprake is. De grieven falen.

Nova, ex-nunct-toetsing, artikel 83 Vw

LJN: AO2072, Rechtbank 's-Gravenhage , zittingsplaats Middelburg , AWB 02/35688 Print uitspraak
Datum uitspraak: 15-01-2004
Datum publicatie: 22-01-2004
Ingevolge artikel 83 eerste lid Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep, rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Ingevolge het tweede lid wordt met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, alleen rekening gehouden indien deze voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, relevant kunnen zijn. Ingevolge het derde lid van artikel 83 verzoekt de rechtbank Onze Minister om zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de wederpartij en de rechtbank te laten weten of de ingeroepen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.

Procederen: stukken in het Nederlands (Engels, Frans of Duits wordt gedoogd)

LJN: BC9154, Raad van State , 200801246/1
Datum uitspraak: 01-04-2008
Datum publicatie: 10-04-2008
Inhoudsindicatie: In een vreemde taal gestelde stukken / geen vertaling De voorzieningenrechter heeft de in het besluit van 18 januari 2008 door de staatssecretaris opgenomen verwijzing naar de informatie die hij heeft ontleend aan de door hem genoemde websites terecht onvoldoende geacht, nu twee van deze websites alleen in het Russisch zijn opgemaakt en daarvan geen vertaling is bijgevoegd.